|
.
UITTREKSEL UIT "IK ZAL LEVEN"
..."Gedurende een onderdeel van een seconde kwam het pad weer in beeld, en ik slaagde erin nog een paar stappen te doen. Ik moet op deze manier verscheidene keren van de kaart geweest zijn.
Er waren momenten dat ik, als ik bij bewustzijn kwam, niets kon zien. Ik bleef lopen, gidste mezelf door met een uitgestoken hand langs de ruwe takken en bladeren van de struiken te tasten, als een blinde die zijn blindengeleidehond was kwijtgeraakt. Ik verbaasde me erover dat ik nog steeds in staat was te lopen, maar elke voet leek een eigen leven te leiden.
Af en toe herkreeg ik mijn gezichtsvermogen. Het was alsof iemand met de lichtdimmer speelde. Ik weet nog dat ik op een gegeven moment naar beneden keek, en mijn twee smerige, nog steeds voortploeterende voeten zag, de ene voor de andere, als een van die op batterijen lopende speelgoedjes.
Ik voelde me alsof ik op de automatische piloot was overgeschakeld. Ik was beslist niet degene die de leiding had. Ik liet ze niet 'lopen'.
De rit leek oneindig, en net toen ik er voor de zoveelste keer over dacht het op te geven, zag ik volgens mij Marine Drive.
Dat kon niet. Maar ja, het was het wel.
Ik had het echt gered.
Ik was nog nooit in mijn leven zo blij geweest iets te zien.
Het gevoel het te hebben bereikt was overweldigend, en leek me een stroom nieuwe energie te geven.
Ik wist dat het geen zin had daar op het grind te blijven liggen in de berm van de weg. Als ik dat deed zou niemand me zien, tenzij ze erg opmerkzaam waren.
Ik moest er zeker van zijn dat de eerste persoon die me passeerde me ook onmiddellijk zou zien. Ik moest naar het midden van de weg waar ik niet over het hoofd kon gezien worden.
Met mijn hand tegen mijn hals draaide ik mijn nek en overzag het terrein. Een paar meter verderop zag ik een grote, witgeschilderde pijl die een bocht scheen aan te geven.
Als ik daar zou gaan liggen en er kwam iemand omheen gereden, dacht ik, zouden ze absoluut over me heen rijden. Ik wankelde nog een paar meter vooruit en vond uiteindelijk een geschikte plek voor ik langs de witte lijn in elkaar stortte. Mijn hoofd belandde met een klap op het asfalt.
Ik lag daar in de dodelijke stilte te bedenken dat het heerlijk was even een pauze te hebben van al dat geploeter en vallen. Ik lag op mijn rug, mijn hoofd opzij gedraaid, mijn ogen op gelijke hoogte met het asfalt.
Het was een ongewoon uitzicht. Het verbaasde me dat ik nog steeds zo helder was. Ik voelde me ongelooflijk alleen, hulpeloos en verlaten.
Ik kon nu nog maar één ding doen. Wachten.
Toen hoorde ik in de verte het gedreun van een motor. De auto minderde vaart en stopte toen.
Voor het eerst sinds de hele beproeving was begonnen voelde ik een ongelooflijke opluchting. Ik had al die tijd in mijn eentje gevochten en nu kwam iemand me helpen. De heldendaad van naar de weg kruipen, dacht ik, was de moeite waard geweest. Ik had gehoopt dat dit zou gebeuren, had me eraan vastgehouden, en nu was het zover. Ondanks mijn uitputting was ik verrukt.
Maar er gebeurde niets. De motor liep stationair, maar was niet uitgegaan. De koplampen beschenen me, verwarmden me en maakten me op een bepaalde manier weer een deel van de gewone wereld. Ze voelden aan als een spotlight. De inzittenden van de auto zouden me toch zeker wel zien?
Ik zwaaide zo heftig als ik kon. Ik wilde dat ze zagen dat ik leefde en hulp nodig had.
Er ging een hele tijd voorbij, het voelde als tien of vijftien minuten, maar het was waarschijnlijk veel minder, en nog steeds was er niemand uitgestapt.
Ik begreep het gewoon niet.
Mijn eerdere gevoel van verrukking werd vervangen door afschuw toen ik ervan overtuigd raakte dat het Frans en Theuns waren, en dat ze misschien waren teruggekomen om het af te maken.
Als zij het waren, kon ik niets meer doen. Het had geen zin in paniek te raken. Ik was al zo dicht bij de dood dat het er niet meer toe deed. Ik voelde het daadwerkelijk, ik voelde mezelf wegslippen. Als zij het waren, besloot ik, zou ik niet meer vechten. Ik zou het gewoon opgeven.
Hoewel de dood in mijn hoofd de overhand had, was ik nog steeds niet bang. Wat ik voelde waren een intens verdriet en teleurstelling over het feit dat ik nu geen weerstand meer kon bieden. Ik had domweg de lichamelijk kracht niet om mezelf te verdedigen. De keus te blijven leven lag niet langer bij mij.
Ik hoorde een motor overschakelen en plotseling werd de auto om mij heen gemanoeuvreerd en reed keihard weg. Het was een Volkswagen Kever, en ik keek de achterlichten na die in de verte speldenprikjes werden.
Toen raakte ik in paniek.
Stel dat het de enige auto was? Stel dat het mijn laatste kans was geweest?
Mijn hoop was verpletterd. De geweldige blijdschap die ik aanvankelijk had gevoeld ging over in triestheid en een vreselijk gevoel van eenzaamheid overviel me.
. |